Nationaal als internationaal groeit het inzicht dat kwalitatief hoogstaand/goed en gericht/toegespitst psychodiagnostisch onderzoek onontbeerlijk is voor effectieve behandeling van patiënten met (ernstige) psychopathologie (Snellen, 2018). In meer algemene termen kan het ontbreken van psychodiagnostisch onderzoek leiden tot relatief lange ineffectieve behandeltrajecten (Kubiszyn et al., 2000; Franken et al., 2018) en/of tot over- of ondervraging van de patiënt omdat behandeldoelen niet optimaal aansluiten aan diens mogelijkheden (Felice et al., 2019).

Genoemde nadelen kunnen worden toegespitst op drie soorten knelpunten waarvoor illustrerende voorbeelden uit de klinische praktijk worden beschreven, zonder hierin uitputtend te zijn.

1. Meervoudige psychopathologie binnen, en tussen verschillende domeinen van psychisch functioneren (Youngstrom, 2012)

  • het niet onderkennen van onderliggende antisociale persoonlijkheidstrekken bij overt vermijdingsgedrag of een eetstoornis; burn-out klachten gesuperponeerd op een autismespectrumstoornis;
  • het ten onrechte verwarren van trait-, structurele- en state- (negatieve affectstuwing) aspecten in het gepresenteerde klinisch beeld. Een veelvuldig voorkomend voorbeeld is het toeschrijven van CPTSS aan borderlinetrekken en vice versa. Hierdoor kan de clinicus (complexe) post-traumatische stoornis kenmerken (CPTSS) missen. Pas bij een PO kan blijken dat (vroege) traumatisering een grotere rol speelt dan eerder gedacht;
  • buiten beeld blijven van overmatig middelengebruik waardoor het behandeleffect nadelig beïnvloed wordt. Ten onrechte schrijft de behandelaar dan stagnatie toe aan andere zaken;
  • het enkel doorverwijzen op grond van een DSM-classificatie brengt als risico een onjuiste of te vroege indicatiestelling met zich mee. Dit kan leiden tot foutieve indicatiestelling en behandeling in niet passende zorglijnen.

2. Complexe diagnostische beelden door mogelijke cognitieve functiestoornissen

  • verhulde en overgecompenseerde cognitieve disfuncties en/of structurele sociale tekorten. Toepassing van een PO geeft meer inzicht in de schadelijke gevolgen van overvraging;
  • een niet opgemerkte verstandelijke beperking (VB) of zwakbegaafdheid waarmee dan ten onrechte geen rekening wordt gehouden. Onderzoek geeft aan dat binnen de reguliere GGZ, de forensische psychiatrie en in de gevangenispopulatie het percentage verstandelijk beperkten tussen de 20 en 35 procent ligt (Kaal, Nijman & Moonen, 2015; Kaal, 2016);
  • niet eerder opgemerkte problemen in de cognitieve informatieverwerking en/of vermogen tot emotionele integratie;
  • subjectief ervaren cognitieve problemen aannemen als afdoende verklarend voor de klachten en symptomen zonder deze te objectiveren. Dit kan leiden tot een niet goed aansluitende (neurocognitieve) behandeling. Bijvoorbeeld concentratieproblemen door een depressieve stoornis.

3. Gecompliceerd beloop van indicatie-stelling en behandeling

  • de verwachtingen tussen patiënt en behandelaar over het doel van de behandeling komen onvoldoende overeen;
  • uit een PO kan naar voren komen dat een patiënt zich niet echt committeert aan een behandelproces of zich te weinig hecht aan een behandelaar. Een PO helpt dan de meer coverte motieven helder te krijgen;
  • verborgen narcistische trekken. De patiënt wil mogelijk nog sterker en perfecter zijn dan de confrontatie met eigen afgekeurde of ontoegankelijke negatieve gevoelens aan te gaan. Introspectieve arbeid ervaart de patiënt dan als een ongewenste confrontatie;
  • egosyntone psychische problemen en -pathologie waardoor er onvoldoende lijdensdruk bestaat.